Het doek dat nog niet mag vallen. Over de nieuwste creatie van Croene en Van Welden op Transit 2019

De hemel die op ons hoofd valt. We kennen het apocalyptische beeld als de uitspraak van een Gallisch personage in een stripverhaal van Uderzo en Goscinny. In een hedendaagse variant valt de hemel niet, maar verandert hij in een grill waarvan de temperatuur langzaam maar zeker wordt opgepookt en het aardoppervlak schroeit. Nog een andere variant vinden we in het werk van Karl Van Welden en meer specifiek in zijn samenwerking met pianist-componist Frederik Croene. In hun veelgeprezen Mars II wordt een pianist bedolven onder een zwarte asregen. Tegelijk wordt zijn pianospel gaandeweg geïnfecteerd en uiteindelijk volledig overgenomen door een zelfspelend klavier. Een catastrofisch beeld dat geen verdere toelichting behoeft.

Daarin zit precies een grote aantrekkingskracht van het werk. Beeld en klank wekken een latente, herkenbare dreiging op die geen woorden nodig heeft. Croene en Van Welden hoeven niet expliciet te maken ‘waarover het gaat’, evenmin brengen ze een boodschap die de wereld wil veranderen. Eerder leveren ze klank en beeld bij een veranderende wereld, of nog beter, bij onze ervaring van die verandering. In hun nieuwste creatie gaan ze verder op dat elan. Het onuitgesprokene dreigt zo mogelijk nog sterker in de voorstudie die ze presenteerden tijdens het openingsconcert van het Leuvense Transit Festival. Dat mag je ook letterlijk nemen, want het werk had bij de creatie nog geen titel, en misschien mag dat wel zo blijven want de beklemming die uit het werk spreekt, doet woorden stokken.

Net zoals in mars II staat een piano centraal. Deze keer niet achter het doorschijnende gaas dat in Mars II een esthetiserende afstand schiep, maar in een traditionele, naakte podiumopstelling. De aandacht gaat aanvankelijk volledig naar Croene die een compositie uitvoert die enigszins refereert naar het postklassieke piano-idioom en zijn eigen commentaren daarop in ‘Cul-de-Sac’. Maar in tegenstelling tot dat laatste, is hier geen sprake van virtuoze improvisaties maar wel van een extreme versobering die tegelijk erg weerbarstig aanvoelt. Croene’s minimalisme mikt niet op de trance van de herhaling maar tracht die integendeel voortdurend te dwarsbomen met onverwachte harmonische en ritmische wendingen, weglatingen en toevoegingen, zoals de bizarre hik-achtige echo-effecten aan het begin of het resonantiepedaal dat naar het eind plots wegvalt. Dat Croene zijn eigen composities van de partituur speelt, creëert daarenboven een zekere afstand, maar ook een gevoel van nauwgezetheid. Ook de extreme dynamische verschillen tussen linker- en rechterhand die vaak synchroon en parallel spelen, drukken wilskracht uit. Het lijkt er Croene om te doen om met een minimum aan muzikale middelen een maximale intensiteit van uitvoering te creëren. Soms lijkt de muziek onder die wilskracht te bezwijken. Het lukte in deze voorstudie nog niet om de spanning vol te houden tot het eind van de voorstelling, maar daarover zodadelijk meer.

Als ik stelde dat de voorstelling start met een klassieke podiumopstelling, dan is dat niet helemaal naar waarheid. Bij aanvang hangt immers hoog boven de piano een groot vilten doek aan de zoldering. Zonder voorkennis leg je als toeschouwer geen directe koppeling met de muziek. Evengoed is het een decoratief of een akoestisch element. Uiterst langzaam begint het wolkachtige doek echter naar beneden te zakken, en dat proces verloopt aanvankelijk zo traag dat je je er als toeschouwer een paar keer van moet vergewissen dat dit echt gebeurt. Zodra het besef er is, verandert de perceptie van de voorstelling radicaal. Het langzame vallen van het doek doet als geste denken aan de slow-motion video’s van Bill Viola, maar de traagheid richt onze aandacht niet zozeer op de details van het bewegende doek, maar doet ons vooral anders kijken en luisteren naar de pianist, met wie we onvermijdelijk beginnen te sympathiseren.

Als machteloze toeschouwers zien we toe hoe de pianist verder speelt. Beseft hij niet wat hem boven het hoofd hangt, of moeten we zijn onverstoorbaarheid begrijpen als het houvast dat we zoeken in rituele handelingen wanneer we alle controle over onze omgeving zijn verloren? Zijn we getuige van de innerlijke voorbereiding op een onafwendbare catastrofe? Is de zorgzaamheid waarmee de pianist de tonen probeert te raken een uiting van grotesk plichtbewustzijn dat als laatste zingeving overblijft? Deze voorstelling lijkt een ander antwoord te zoeken op de catastrofe dan MARS II dat eindigt bij een spectaculair uitvagen van elke menselijke aanwezigheid in de muziek. In deze voorstudie is het de pianist zelf die het licht uitknipt wanneer het doek over hem is gevallen.

Toch voelt precies die euthanasie weinig bevredigend aan. De dreiging die voelbaar is voor het doek het hoofd van de pianist raakt, maakt naar het eind toe plaats voor onontkoombaarheid en berusting, misschien zelfs een vorm van onverschilligheid. Wanneer de pianist bedolven onder het doek nog even blijft doorspelen bekruipt ons een “is het dat dan?”- gevoel, wat nog versterkt wordt door de stilstand van het decor en de wat halfslachtige poging om een aanvaardbaar einde te bedenken voor de muziek. Ik ben er daarom van overtuigd dat wij, maar ook Croene en Van Welden met de catastrofe nog niet klaar zijn, en dat het doek over deze samenwerking nog niet mag vallen.

gehoord en gezien op 18 oktober 2019 in Leuven, Transit Festival

%d bloggers liken dit: