Mondstuk (2005)

In Mondstuk wordt uitgegaan van een minimale situatie: drie uitvoerders met elk slechts het kopstuk van een tenorblokfluit. Het instrument wordt zo herleid tot zijn wezenlijke kern: een holle buis met drie openingen. Elk van deze openingen kan door de uitvoerders worden beademend of beslaan en de luchtstroom die daarmee op gang wordt gebracht, kan worden gemanipuleerd met de handen. Dit manuele karakter levert een esthetiek op waarbij het auditieve en het visuele in grote mate naar elkaar refereren. Er ontstaat een soort van visueel – akoestische synesthesie, waarbij in Mondstuk zowel de letterlijkheid als de ambiguïteit van deze synesthesie wordt uit – gespeeld. De posities van de handen en de grove motoriek van de uitvoerders krijgen daarbij een structurerende rol, waardoor de compositie evenzeer choreografie als klankstuk wordt.

Op formeel gebied wordt in Mondstuk uitgegaan van een haast kubistisch principe. De bewegingen lijken zich af te spelen in een picturale, tweedimensionale ruimte. Op dat platte vlak vertonen de drie uitvoerders zich als de verschillende aanzichten van eenzelfde figuur. In een voortdurend spel van onthullen en verbergen maken de uitvoerders deze verschillende perspectieven zichtbaar en hoorbaar. Hetzij gelijktijdig als tegenstelling, hetzij achtereenvolgens als de gesimuleerde beweging van een toeschouwer ‘rond’ de figuur.

Mondstuk verlangt van de uitvoerder een grote precisie wat betreft de uit te voeren handelingen en in te nemen posities. Door deze ‘nauwkeurige omgang’ ontstaat een relatie die het kopstuk verheft tot meer dan alleen een ‘speeltuig’. Het wordt voorwerp van een geconcentreerde intimiteit.

Fragment uit het tweede deel (performer: Tomma Wessel):

http://www.youtube.com/watch?v=HQuJWaGYyF4

%d bloggers liken dit: