Over de onderbuik van Vlaamse en groene argumenten (2011)

Een opmerkelijke parallel in voorbije weken tussen twee partijen die in het Vlaamse politieke landschap in vele opzichten elkaars tegenpolen zijn.  Zowel Groen! als NVA raakten verdeeld door uitspraken van een partijlid dat wel benadrukt uit eigen naam te spreken maar tegelijk luidop verwoordt wat voelbaar leeft bij een deel van de achterban.
Eerst was er Bart Staes die de vernietiging van het aardappelproefveld door de Field Liberation Movement verdedigde als een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. Daarna was er Vic Van Aelst die Franstalige politici persoonlijk beschuldigde van het verkrachten van het Nederlands en van superioriteitsgevoelens jegens de Vlamingen. Om zijn onvrede kracht bij te zetten verklaarde hij liever solidair te zijn met de Turken dan met de Walen.
Bart Staes, alom gerespecteerd dossiervreter voor Groen! in het Europese parlement, kreeg de volle lading van de intellegentsia en de verzamelde universitaire hoofden. Ook zijn eigen partij verwierp na enig aarzelen zijn uitspraak, niet zozeer omwille van de achterliggende motivaties van de FLM, maar wel omwille van de (al bij al beperkte) geweldpleging bij de actie.  Vic Van Aelst zaaide op zijn beurt verdeeldheid bij de NVA, werd publiekelijk afgevallen door Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans, hoewel partijvoorzitter Bart De Wever het even later nodig vond de uitspraak te bestempelen als ‘een vinger los in de wonde’ die goed verwoordt wat er in de onderbuik van de Vlaamse beweging leeft.
Het valt op dat de afwijzende reacties die de uitspraken van Staes en Van Aelst in hun eigen partijen losmaakten vooral de vorm betreffen. Er leek in beide gevallen sprake te zijn van een zeker gêne over de directheid waarmee beide partijleden zich uitdrukten, hoewel niemand zover ging de uitspraken ook inhoudelijk te verwerpen.
Nu het stof van de verontwaardiging is neergedwarreld, is het nuttig om de oorzaak van de interne prikkelbaarheid van Groen! en NVA in deze kwesties tegen het licht te houden. Het mag misschien vreemd lijken om deze partijen met elkaar te vergelijken. Er zijn echter wel meerdere opmerkelijke parallellen, vooral dan als we Groen! en NVA beschouwen als de Vlaamse politieke vertegenwoordigers van veel bredere bewegingen, te weten een ecologische beweging en een regionalistische tendens, hier in de gedaante van een Vlaamse beweging. Vanuit dat perspectief kan begrepen worden waarom de argumentatie waarvan beide partijen zich doorgaans bedienen steeds ook gericht is naar aanhangers die zich niet alleen gedreven weten door politieke argumenten, maar ook door overtuigingen die zich kristalliseren rond symbolen met een emotionele waarde. Cruciaal voor het mobilisatievermogen van deze bewegingen is dat hun hechtingssymbolen niet zelf ter discussie kunnen staan en dus ook zoveel mogelijk buiten het debat moeten worden gehouden. Wat de NVA betreft is het hechtingssymbool vanzelfsprekend de Vlaamse Identiteit. Bij Groen! gaat het om een weliswaar minder uitgesproken maar nog wel degelijk aanwezig geloof in een ‘natuurlijke gang van zaken’, in datgene wat het toenmalige Agalev ooit op de poster van een verkiezingscampagne plaatste: het beeld van de aarde als Moeder.
De gêne die merkbaar werd bij Groen! en NVA vorige week, heeft misschien met deze emotionele hechting te maken die bij elke ontbloting de gehanteerde argumenten in het publieke debat dreigt te herleiden tot inwisselbare wapens in een strijd die nooit alleen op basis van argumentatiekracht kan worden gewonnen.
Van Aelst ontblootte op heldere wijze  hoezeer een belangrijk deel van het NVA-bestuur gedreven wordt door een historisch ressentiment jegens de Franstalige medeburgers. Onvermijdelijk wordt daarmee een vraagteken geplaatst achter de argumentatie  waarmee de partij haar nationalistische streven de afgelopen jaren succesvol heeft onderbouwd. Wie in 2010 de uitzendingen van Jean-Pierre Rondas op Klara omtrent de Vlaamse kwestie heeft gevolgd, kon moeilijk anders dan op basis van grondwettelijke, historische en culturele argumenten begrip krijgen  voor het Vlaamse streven. Van Aelst maakt echter overduidelijk dat dergelijk streven nooit zijn slag kan thuishalen zonder terug te grijpen naar een identiteit die slechts kan bestaan bij gratie van een bepaalde mate van vijandschap  ten opzichte van een andere identiteit. Wie voor de Vlaamse zaak overtuigd wordt op grond van principes van realisme, rationaliteit en rechtvaardigheid, zal er ook een nationalistisch sentiment en zelfs een bepaalde etnisering als bindmiddel bij moeten nemen. Heel wat potentiële NVA-kiezers zijn misschien wel mee met de Vlaamse argumentatie, maar daarom nog niet met dat Vlaamse sentiment. Dat verklaart wellicht waarom er binnen een deel van de NVA enig ongenoegen bestaat over een ongeleid projectiel als Van Aelst die de zorgvuldig opgebouwde constructies van Vlaamse realiteitszin in één klap een rancuneuze ondertoon bezorgt. Het kan de groteske beeldvorming van Vlaanderen dat  afgelopen jaren in de Franstalige media is ontstaan alleen maar voeden, en het maakt het vooral de Vlaamse kiezer makkelijker te weten waarvoor hij kiest of zeker niet wil kiezen. Het toekomstperspectief van een open, transparante Vlaamse staat in Europese schoot heeft afgelopen weken door de affaire van Aelst, en niet in het minst ook door De Wever zelf (op diens inleiding van euroscepticus Vaclav Klaus aan de universiteit van Antwerpen ga ik hier niet in) een flinke knauw gekregen.
Met Groen! is er bij nader inzien iets soortgelijks aan de hand, hoewel de katalysator hier zeker niet Bart Staes is, maar wel de FLM. De reactie van Staes kon hier bijna letterlijk vergeleken worden met de instemmende reactie van De Wever op Van Aelst (Staes omschreef de actie van de FLM als een ‘kwestie van smaak’, De Wever gebruikte vergelijkbare woorden in de affaire Van Aelst). Ten gronde heeft Staes gelijk wanneer hij de actie van de FLM als symbolisch omschrijft. Staes werd daarin bijgetreden door filosoof Lieven Decauter die betoogt dat een criminalisering van de actievoerders, zoals de KUL die één van haar onderzoeksters omwille van deelname aan de actie op staande voet heeft ontslaan, totaal niet in verhouding staat met de feiten die volgens Decauter eerder als een uit de hand gelopen activisme moeten omschreven worden. Het ontslag duidt inderdaad op een kramp die misschien nog gevaarlijker is dan de dwaasheid van de FLM zelf.
Het is interessant dat zowel Decauter als Staes de aandacht proberen te verleggen van het aardappelveld in Wetteren naar een door hen veronderstelde ‘verzwegen kern van de zaak‘. De efficiëntiecultuur, de toenemende vervlechting van universitair onderzoek met economische belangen, de patenten op genetisch gemodificeerd zaaizaad die Decauter en Staes aan de kaak stellen, vormen een belangrijke, veel te weinig gemediatiseerde problematiek. Indien acties als die van de FLM de focus kunnen verschuiven naar deze problematiek dan heiligt het doel misschien de middelen. Maar precies omdat het om een symbolische actie ging, is het vooral het mediatieke effect dat hier onder ogen moet worden genomen.  Wat symbolisch werd vernietigd door de FLM was niet in de eerste plaats de groter wordende greep van multinationals op het universitaire onderzoek. Wat overblijft in het publieke geheugen is de strijdvaardigheid van een beweging die zich ten allen prijze verzet tegen genetische manipulatie en het onderzoek ernaar. En omdat de actie niet gericht was tegen een commerciële plantage maar wel tegen één van de weinige wetenschappelijke onderzoeksvelden in dit verband, blijft ook het vermoeden dat het om een beweging gaat die haar overtuiging op een zodanig hartstochtelijke wijze verdedigt dat ze niet in staat is zelfs maar het gesprek over het onderwerp aan te gaan.
Door de actie af te keuren en te pleiten voor een debat gedroeg Groen! zich dan ook niet zielig zoals De Cauter min of meer beweert, maar ging het vooral voorzichtig om met de emotionaliteit die kwesties omtrent genetische manipulatie bij haar eigen achterban opwekken. Tegelijk valt te vrezen dat de partij hier niet alleen de publieke opinie, maar eerst ook zichzelf nog zal moeten overtuigen van haar vatbaarheid voor argumenten die zouden pleiten voor wetenschappelijk onderzoek naar exploitatiemogelijkheden van genetische manipulatie.
Groen! profileerde zich afgelopen maanden als zowat de meest constructieve partij in de communautaire onderhandelingen, misschien omdat ze bij het communautaire thema weinig te winnen of te verliezen heeft. Waar het haar kernthema’s betreft blijft de partij echter al te vaak hangen in standpunten die voorspelbaar overeenstemmen met het archetypische imago van een groene partij. Op zich is die voorspelbaarheid niet verkeerd, alleen roept het vragen op wanneer je als  buitenstaander op voorhand weet waar een partij voor of tegen zal zijn, zelfs al kan de argumentatie voor haar standpunten elke keer nieuw en verrassend zijn.  Zo is het voorspelbaar dat een groene partij steeds afwijzend zal reageren op kernenergie, dat ze eerder afwijzend zal staan tegenover genetische manipulatie, dat ze steeds zal kiezen voor het bos en niet voor het industrieterrein, voor het kleinschalige initiatief en tegen het grootkapitaal. Bij elk van die motivaties zal ze overtuigende argumenten kunnen aandragen voor die standpunten, en meestal zal het begrip duurzaamheid daarbij een centrale rol spelen. Net zoals bij de Vlaamse ontvoogdingsstrijd kan je overtuigd raken door die argumentatie, maar niet noodzakelijk door het sentiment waarop de argumenten deels drijven. Zo zullen de huidige groene partijen maar zelden ingaan op de soms hoogst irrationele, negatieve associaties waarmee begrippen als ‘genetische manipulatie’ , ‘straling’, maar ook ‘chemie’,  ‘industrie’ of ‘biotechnologie’ in het publieke forum omgeven zijn. Er is een hele cluster van begrippen die ingaan tegen het beeld van ‘het natuurlijke’ of ‘het oorspronkelijke’ en die een emotionele  lading verworven hebben die niet als dusdanig inzetbaar is in het publieke debat, maar onrechtstreeks de groene argumenten wel richting en overtuigingskracht levert.
Een goede proef op de som voor de worsteling van Groen! met de eigen irrationele grondstroom vinden we in het negatieve rapport van de KCE omtrent de homeopathie in Vlaanderen van enkele weken geleden. Het is tekenend dat daar met geen woord over gerept wordt op de website van Groen! (zelfs niet bij de persberichten), hoewel het hier bij uitstek om een ecologisch thema gaat. De koestering van een archetypische ‘natuurlijkheid’ resoneert echter goed met tal van alternatieve geneeswijzen waarin (meestal volkomen achterhaalde) holistische resonantietheorieën, ‘natuurlijke’ medicijnen en het zelfgenezende vermogen van het lichaam centraal staan. Bij het partijprogramma vind je heel terecht een streven om de overconsumptie van geneesmiddelen terug te dringen, maar niet toevallig ook dat de partij ‘verdere stappen wil zetten in de erkenning van alternatieve geneeswijzen’.  Het is deze ambiguïteit en sluimerende irrationaliteit die heel wat potentiële kiezers weghoudt van een partij als Groen!, hoewel het tegelijk natuurlijk een strategie kan zijn om een ander deel van haar kiezers aan boord te houden.
De argumenten van zowel de NVA als Groen! houden dikwijls steek (het is geen toeval dat beide partijen eerder een hooggeschoold kiezerspubliek aantrekken), maar ze zijn meestal ook selectief, en de selectie berust vaak op zorgvuldig bedekt gehouden emotionele hechtingssymbolen. Op gekoesterde, onwankelbare overtuigingen. Het is iets waar teveel debatten aan lijden vandaag: de toenemende complexiteit van onze leefwereld zorgt voor een overvloed aan inzetbare argumenten pro en contra al naargelang het perspectief dat ingenomen wordt, maar er bestaat tegelijk (en niet ten onrechte) een zekere schroom om het emotionele kompas waarop het ingenomen perspectief berust mee in de strijd te gooien. Daardoor is het heel moeilijk geworden om letterlijk partij te kiezen in Vlaanderen. Het is kiezen tussen halve waarheden of kiezen voor emotionele overtuigingskracht. Dat is een zeer belangrijke vaststelling, want Groen! en NVA vormen de twee partijen die in zekere zin het sterkste en meest integere politieke profiel bezitten. Wat Groen! en NVA nog met elkaar verbindt, is dat ze in hun strijdpunten in wezen conservatieve partijen zijn. NVA zal geen moeite hebben met die vaststelling, Groen! misschien iets meer, maar hoe kunnen we anders het door Groen! voortdurend beklemtoonde voorzichtigheidsprincipe interpreteren? Voorzichtigheid valt echter niet altijd gelijk te stellen met vooruitziendheid, net zoals conservatisme niet altijd redelijk is, maar meestal ook een irrationele grond kent. En het is begrijpelijkerwijze een grond waarmee politieke partijen omzichtig moeten mee omgaan, want het is de grond die sommige kiezers aantrekt en andere afstoot.
Het is dan ook uitkijken welke richting het uitgaat met een partij als Groen!, want dat het ecologische denken alleen maar aan belang kan winnen staat als een paal boven water. Blijft Groen! zoals in afgelopen maanden het overlegmodel cultiveren en slaagt ze erin haar oude imago van een wat naïeve, idealistische partij in te ruilen voor een resultaatgerichte, pragmatische ecologische partij, dan kan ze wellicht een heel eind opschuiven naar het centrum. Radicaliseert ze in ecologisch-conservatieve zin dan zal er misschien, mede onder druk van nakende ecologische rampen, een grote opening  in het politieke spectrum komen voor een werkelijk progressieve ecologische partij, een partij die net zoals de huidige groene beweging het lange-termijndenken boven kortstondige welvaart durft te plaatsen maar daarvoor ook de risico’s durft te omarmen die elke noodzakelijke maatschappelijke of (bio)technologische aanpassing in zich zal dragen.
Paul Craenen, juni 2011
%d bloggers liken dit: