Over de tonen in het debat

nieuwjaarstoespraak Musica, 20 januari 2017

De jaarwende is traditiegetrouw een moment om optimisme uit te stralen, om hoopvol vooruit te kijken. Een moment om een al te ‘realistische kijk’ op de toekomst tussen haakjes te plaatsen. De toekomst heeft met de realiteit immers nog niks te maken. Wanneer vandaag het woord realisme valt, wordt daarmee meestal bedoeld dat je maar best incalculeert wat het maximaal haalbare is, of wat in de toekomst misschien niet meer kan. Ik meen echter dat wij als kunstenorganisatie niet te lang moeten stilstaan bij wat we niet meer kunnen, maar vooral bezig moeten zijn met wat we nog niet doen. Durven dromen is van cruciaal belang om een perspectief te scheppen waarin toekomst realiteit kan worden.

Wanneer ik echter luister naar de nieuwjaarstoespraken die de voorbije weken de media haalden, dan schijnt het wel alsof optimisme vandaag vergezeld moet gaan van waarschuwingen. Het lijkt erop dat we met zijn allen het gevoel hebben dat er iets op het spel staat. Dat we in een tijd leven waarin onze wereld wankelt, en misschien ook wel kan kantelen. In welke richting is allerminst duidelijk, maar alleen al het gevoel dat ons bootje misschien kan kapseizen, maakt bij velen de reflex los om bij elke deining extra hard naar de andere kant te gaan leunen. Het effect daarvan is niet dat we het evenwicht terugvinden, maar dat een slingerbeweging wordt aangezet die de schommelingen alleen maar groter doet worden.

Het is in dat klimaat van deining en animositeit, dat wij als kunstenorganisatie moeten proberen om gezien en gehoord te worden, om een plek te vinden en een rol te spelen. Dat is geen vanzelfsprekende zaak, want de kunsten krijgen vandaag dan wel allerlei functies toegemeten, de koers van het bootje kunnen ze zelden meebepalen. Als de muziek al mag meespreken, dan is het meestal vooraf of achteraf. Vooraf als een klinkende verleiding, als een opwekkend middel dat mensen rondom luidsprekers verzamelt en geesten in het juiste gemoed brengt. Achteraf om te vieren of om troost te zoeken. Suiker van kerstmuziek in winkelstraten, strijdliederen in voetbalstadions, lamentaties om onze wonden te likken.

Maar als het er echt om gaat, als het spel ècht gespeeld wordt, wordt van de muzikant verwacht dat hij zijn instrument in de kist opbergt.

Ik moet toegeven dat ik die positie aan de buitenkant van de gebeurtenissen soms frustrerend vindt, en het afgelopen jaar heb ik me vaak afgevraagd waarmee wij eigenlijk bezig zijn. Wat kan onze rol zijn in dat klimaat van deining, van ruwe zee?Wij als muziekmakers, muziekminnaars, bezitten geen taal om argumenten te formuleren die de koers van het maatschappelijk debat kunnen sturen. Nochtans denk ik wel dat wij een cruciale dimensie van het spreken met elkaar en luisteren naar elkaar kunnen hoorbaar maken. Een bekend Nederlands commentator gaf daar onlangs in een column een inspirerende insteek voor met een geweldige two-liner:

“Het probleem is niet de toon van het debat. Het probleem is dat er alleen nog maar toon is, en geen debat.”

De toon waarover Bas Heijne het heeft, is de klank van de animositeit die ik zonet beschreef. Het is het geluid van de onrust dat zichzelf versterkt, dat zelf boodschap wordt. Zoals degene die zich opwindt over iets of iemand en anderen in zijn boosheid meetrekt, niet zozeer door de feiten waarover hij zich opwindt, maar door de boosheid waarmee hij ze uitspreekt. Maar betekent dat niet tegelijkertijd dat Heijne zijn pointe niet helemaal juist heeft? Is het niet precies de toon van het debat die wel degelijk een deel van het probleem is? Is het niet het teveel aan druk op de stembanden, de te hard aangeblazen toon, de slecht aangestreken snaar die het luisteren naar elkaar gewoon lastig maakt?

Hoe zouden wij met onze sensibiliteit iets aan de toon van het debat kunnen verbeteren? Hoe zouden wij met een muzikaal oor het gesprek tot rede kunnen brengen, gesteld dat wij met muziek mogen modereren?

Het eerste wat we zullen moeten doen, is een aantal reflexen en clichés ontmantelen. Wat we nodig hebben is alvast niet het djembégeroffel van nepnieuws, niet het staccatogetwitter van de beschuldiging, niet het gezwollen vibrato van het ego of de tremolo’s van de grootspraak, maar een geluid dat doet luisteren. Misschien zullen we in de hardhorigheid van vandaag in eerste instantie onze toevlucht moeten zoeken tot een onverwacht lawaai. Een muzikale schreeuw waarmee we kortstondig het geraas doen verstommen. Dat moment van aandacht moeten we aangrijpen om  een meer gesofisticeerde toonspraak te introduceren. We kondigen muzikale conversatieregels af en stellen een verbod in op compressietechnieken, zodat het fortissimo kan bulderen, en het dal niente weer kan fluisteren. We nodigen uit tot een diversiteit aan stembuigingen en variaties. We laten toe om vraagstellingen rijk te versieren, antwoorden mogen klinken in omkeringen en tussen toonregisters mag speels geschakeld worden. Jodelen en boventoonzingen zijn toegestaan. Ik zou ook voorstellen om de tempowissel in te voeren als een stijlfiguur die bij voorbaat al te opgefokte beats ontmoedigt. En zodra we horen dat motieven of thema’s oorwormen worden, voegen we er syncopes en tegenstemmen aan toe. Zodat uiteindelijk datgene wat vandaag ‘polarisatie’ heet, transformeert tot contrapunt, tot een polyfonie waarvan de schoonheid erin schuilt dat vele stemmen kunnen samenklinken en toch elk afzonderlijk hoorbaar blijven.

Misschien moeten we vanaf 2017 de dringende vragen van vandaag beantwoorden met het raadsel van de muziek. Het raadsel waarom wij muzikale dieren zijn. Volgens sommige wetenschappers geeft ons muzikale vermogen ons een sociaal voordeel, een bonus in onze overlevingskans als groep. Volgens andere valt die typisch menselijke gevoeligheid te beschouwen als een gelukkige vergissing van de evolutie, een aangenaam bijproduct van onze intelligentie, maar volstrekt zonder functie.

Als kunstenorganisatie willen wij dat raadsel van de muziek niet oplossen, maar vooral luid laten klinken. Want als de muziek ons iets vertelt, en als wij iets kunnen vertellen doorheen de muziek, dan is het dat wij misschien wel het meest ‘onszelf’ zijn op het moment dat wij beginnen meeresoneren met de muziek, en doorheen de muziek met elkaar. Want muzikaliteit is iets dat wij allen, zonder uitzondering met elkaar delen. Dat bewustzijn vergroten, die sensibiliteit bij elkaar aanwakkeren, verfijnen, verder ontwikkelen, dat is de rol die we ons willen aanmeten. En we zullen dat niet in de eerste plaats doen met woorden of herderlijke nieuwjaarstoespraken, maar wel via de klinkende muziek zelf.

Music please!

 

%d bloggers liken dit: