over socio en cultuur (2002)

Cultuur met socio of zonder?

Wie goed luistert naar de signalen uit de media en het woordgebruik van (een deel) van onze politieke beleidsmakers, beseft dat in een nabije toekomst de subsidies voor actuele kunst, zoals die nu bestaan, onder druk komen te staan. Het is daarbij niet het beleid van één minister of één regering die voor deze kentering zorgt, wel een diepere maatschappelijke ontwikkeling die uiteindelijk de politiek tot die druk zal verplichten. Tenzij er een grote economische crisis volgt, zal het daarbij niet gaan om het opdrogen, maar wel om het verschuiven van de geldstroom. Het loont de moeite om de indicatoren en oorzaken van die verschuiving te onderzoeken. Ik loop in het korte en zeer voorlopige bestek van volgend artikel het risico te vervallen in ongenuanceerdheid en ‘systeemdenken’. Daarenboven is het een moeilijke zaak om in een algemeen artikel over de Kunst te spreken, aangezien de situatie en betekenis van de discussie voor de verschillende kunstdisciplines erg uit elkaar loopt. Ik verberg dan ook niet dat wat volgt, sterk gekleurd is vanuit mijn eigen achtergrond als hedendaags componist. Maar dat lijkt me in het huidige debat eerder een pluspunt. De afgelopen, sterk gemediatiseerde discussies (Frank Van de Veire, Gust De Meyer) verwezen immers nogal eenzijdig naar de plastische kunsten, en dan nog meestal slechts naar hun meest iconische exponenten (Wim Delvoye, Jan Fabre,…). Actuele muziek of klankkunst, installatiekunst en alle nieuwe vormen van digitale of hybride kunsten bleven buiten schot, hoewel zij niet minder dan de genoemde plastische kunst belanghebbende partij zijn. Ondanks het nog niet uit-gedachte van mijn bedenkingen, hoop ik daarenboven de discussie eens in een perspectief te plaatsen dat naar mijn gevoel te weinig aan bod komt, en dat is het perspectief vanuit het kunstwerk zelf. Ik nodig de lezer uit mee te denken en te reageren. Relevante commentaren neem ik in de mate van het mogelijke op in een volgende update van dit artikel (zie ook de voetnoten).

Ondanks goede bedoelingen en intenties van cultuurministers of kunstendecreten, lijkt de maatschappelijke aanvaarding van de (door de staat) gesubsidieerde arbeid van de kunstenaar voorbij. Deze maatschappelijke ontwikkeling lijkt samen te vallen met een steeds dwingender functioneel denken, waarvan de neoliberale samenleving de actuele verschijningsvorm is. Het is de aanwezigheid van dit functiegerichte denken dat vooral (sommige) linkse intellectuelen, en in hun zog politici, ertoe heeft verleid de Kunst allerlei sociale functies (verdraagzaamheid, kritische zin etc) toe te dichten. Hoewel dit enerzijds kan opgevat worden als een verdediging van die Kunst, kan evengoed gesteld worden, en hier begeef ik me op gevaarlijk terrein, dat het op één of andere manier (ongewild) ook om een politiek misbruik gaat: de betoelaging van culturele projekten specifiek (dwz inhoudelijk aangepast) naar bv. jongeren en allochtonen toe, is in sociaal opzicht zeer verdedigbaar, het is echter een misleidende voorstelling van zaken het te definiëren als een dubbelslag waarbij ook de Kunst bij voorbaat als winnaar uit de bus komt. Ik zou zelfs kunnen stellen dat het wat betreft de artistieke houding vaak een contraproductieve maatregel is. Datgene wat ik als ‘waar – achtige Kunst’ beschouw, stelt in haar essentie immers geen sociaal of economisch doel voorop[1]. Zij onderscheidt zich van het functioneel-ambachtelijke door een verbazing / verstomming (op het niveau van het communiceerbare) / crisis die de kunstenaar in een talige vorm bezweert. De eis van het sociale dwingt de Kunst deze ‘verstomming’ bij voorbaat op te geven[2] , dwingt haar tot een vooraf bestemde vorm en holt zo haar potentiële kracht uit.

Een eerste indicator van de geschetste ontwikkeling is van semantische aard. Niet zonder reden sprak ik zonet over kunstsubsidies en niet over het meer gebezigde ‘cultuursubsidies’. Het valt me op dat in de politiek getinte debatten over Kunst (de plaats van de kunstenaar, de toekenning van subsidies etc) de laatste jaren steeds meer het woord Cultuur, en steeds minder het woord Kunst wordt gehanteerd. Waar ‘Kunst’ toch wordt uitgesproken, wordt in één adem ‘Cultuur’ gebruikt, vaak zonder enig duidelijk onderscheid tussen beide begrippen. De vraag is nu waar die semantische onzekerheid op wijst. Om te beginnen is het duidelijk dat Cultuur een veel en veel ruimer begrip is dan Kunst. Toch wordt het woord Cultuur vaak gebruikt wanneer Kunst wordt bedoeld. Misschien klinkt ‘Kunst’ een beetje akelig en ook wel ouderwets. Ouderwets omdat er in de geschiedenis talloze pogingen zijn ondernomen het begrip ‘Kunst’ te definiëren, maar geen enkele erin geslaagd is op definitieve wijze (het retorische “is dat nu kunst?….” zal altijd actueel blijven). Akelig omdat Kunst per definitie iets is van weinigen, en Cultuur iets van velen. Dit is de kern van de zaak. Cultuur lijkt zoveel democratischer. Cultuur, dat is immers de verzameling van al die uitingen die kenmerkend zijn voor onze beschaving (ik had bijna gezegd, onze cultuur). Hoewel ‘Cultuur’ meestal niet in die zeer brede betekenis in de subsidiedebatten gebruikt wordt, blijft zijn potentiële lading altijd meeklinken. Het gevolg is dat wanneer je systematisch het woord ‘Kunst’ vervangt door het woord ‘Cultuur’, er tegelijkertijd een stilzwijgende aanvaarding ontstaat van die inherent veel grotere lading. Zodat niemand er op het moment van beslissen nog aan durft te twijfelen dat amateurtheater ook moet kunnen gesubsidieerd worden[3] . Of popmuziek. Of filatelie. Of volksdansgroepen. Stuk voor stuk cultuuruitingen. En wie zou durven beweren dat het ene meer waard is dan het ander? Zo gezegd, zo gedaan: de subsidiepot voor de kunsten wordt netjes verdeeld over al deze cultuuruitingen. Zoveel mogelijk van alles, en iedereen is tevreden. Het cultuurbeleid is hier in hetzelfde bedje ziek als de politiek, en met uitbreiding ook de vertegenwoordigende democratie. Door de steeds groter wordende dwang zoveel mogelijk partijen tevreden te stellen (wij vragen, U geeft), wordt een lange termijn visie heel moeilijk.

Dit is zowat de huidige situatie in Vlaanderen. Indien het een status quo zou kunnen blijven zou het niet eens zo’n slechte toestand zijn. Want laten we wel wezen, ondanks het geklaag, de intriges en de afgunst een klein landje eigen, leven we nog altijd in een paradijs van mogelijkheden. Maar uiteraard zal de evolutie hier niet stoppen. Eens het ‘alles is evenwaardig’-principe is aanvaard, wordt haar toepassing verfijnd. En dan doet De Statistiek, dat steeds weerkerende rechtvaardigste oordeel, zijn intrede. De Statistiek, dat is de zakrekenmachine van de vrije markt. En waar De Statistiek zich het meest voor interesseert, dat is wat uit haar curve het meest in het oog springt: ‘de Grootste Gemene Deler’, ook wel ‘De Gewone Man’ genoemd : een soort virtuele constructie waarin de meesten onder ons, als we eerlijk zijn, zich wel tot op zekere hoogte in kunnen herkennen. Deze virtuele gewone m/v  is in zijn/haar denkwereld conservatief en vooringenomen, is niet geneigd het eigen gedrag bij te sturen, laat zich bij onverwachte wendingen leiden door emoties, zonder de wil of het vermogen één en ander vanop een kritische afstand te beschouwen (de introductie van het begrippenpaar ‘emotionele intelligentie’ in politiek en professionele wereld heeft daarbij gezorgd voor een bron van grote misverstanden) en is dan ook behoorlijk onwetend omtrent datgene wat er zich rond hem/haar afspeelt. Niet toevallig is dit zowat het profiel van de ideale consument. Het is een profiel waarop makkelijk een (verkoops)politiek kan afgestemd worden. Uit de voorkeuren van die virtuele gewone m/v blijkt voor het overige, nogal voorspelbaar, dat zijn of haar artistieke voorkeur allerminst uitgaat naar ‘moeilijke, lees actuele, Kunst’. Het gevolg? Als die ‘moeilijke’ Kunst geen definitie kan geven van haar functie in het steeds prestatiegerichter en geolieder economische systeem, dan zal ze er stelselmatig verder uit worden teruggedrongen. De Kunst is met andere woorden veroordeeld zichzelf ofwel een functie toe te kennen als bron van verstrooiing voor de consument (dus zeker niet te moeilijk doen: populaire cultuur, entertainment ), als therapeutisch gebruik (muziektherapie, muzak etc), als sociaal bind –of onderscheidingsmiddel (voetbal, opera, rockconcerten) en als het even kan dat alles tegelijk (soaps, Big Brother…). Ik zou hier nog een stap verder willen gaan vanuit de zoëven geschetste semantische verschuiving. Het nec plus ultra in de cultuurpolitiek is tegenwoordig niet meer de ‘culturele’ functie, wel de ‘socioculturele’. Het woord duikt te pas en te onpas op: een nieuwe invulling van een gebouw? De herformulering van een profiel? Gebruik het woord ‘sociocultureel’ en iedereen knikt instemmend ja. Met een sociocultureel profiel is iedereen tevreden: de culturo’s, de sociale werkers, het kapitaal. Het doelpubliek is immers steeds een groep van mensen (consumenten) van beduidend aantal, (iets wat je moeilijk kan beweren van de groep liefhebbers van actuele kunst) een ‘goed doel’ en een inhoud waarmee iedereen zich graag vereenzelvigt. In het socioculturele rinkelt ‘Kunst’ nog slechts als een klein belletje mee, en dan meestal slechts als een verwijzing naar de geschiedenis die je netjes aan de muren van de musea vindt, of in de comfortabele concertzalen met klassieke muziek. In het socioculturele vindt de Kunst zijn plaats als schepper van sociale gemoedsrust (door groepsidentiteiten te bevestigen) of als een product met een onbedreigende genotsfunctie, op één lijn te zetten met een lekkere kop koffie, een massagebeurt of een joint. Samengevat in een geriskeerde oneliner: In het socioculturele lijkt de recuperatie van de Kunst door de neoliberale samenleving voltrokken[4]. Waar wil ik naartoe? Als van actuele Kunst niet mag verwacht worden dat ze ‘de mensen dichter bij elkaar brengt’, of dat ze toleranter maakt of ingezet kan worden voor één of ander sociaaleconomisch doel, waarom zou die actuele Kunst dan nog gesubsidieerd hoeven te worden? De pamfletten van de Gust De Meyers van deze tijd zijn allesbehalve taboedoorbrekend. Ze zijn integendeel tekenend voor een gemediatiseerd neo-liberalisme dat met ogenschijnlijke onthullingen haar eigen taboes verbergt en een onverdraagzame Grootste Gemene Deler creëert.

Het nieuwe taboe is niet dat de kunstenaar (of de filosoof, of de onderzoeker,…) leeft op kosten van de staat. Het nieuwe taboe is dat zij die beroepshalve anders, langer en grondiger naar de wereld kijken of erover denken ook, logischerwijze, de gerechtvaardigde pretentie hebben taalvaardiger iets over diezelfde wereld te kunnen zeggen / tonen dan die gemene deler. Actuele kunst heeft daarbij, meer nog dan filosofie en in tegenstelling tot wetenschap, het unieke vermogen een stap te zetten buiten de context of ‘het systeem’ waarin ze is ontstaan. Ik zou zelfs zeggen: ze kan niet anders, het ligt in haar aard. Dat geeft haar een zekere kritische kracht die haar systeem zelf kan aantasten, wat nog iets anders is als de kritische functie die ze geacht wordt in het systeem te vervullen. Dat alleen al is het waard om de Kunst, als het ware symbolisch, te blijven subsidiëren. Het houdt ook in dat het bij voorkeur een overkoepelende structuur moet zijn die voor de subsidiëring zorgt. En ook al wordt haar macht uitgehold, op dit ogenblik is dat nog altijd de staat of de federatie en niet de bedrijfswereld. Met de steeds groeiende schaalgrootte van bedrijven beginnen sommige multinationals misschien wel formele kenmerken van een staatsstructuur te vertonen, dergelijke organen ontbreken nog sociale en intellectuele geschiedenis en zijn vooral nog teveel verwikkeld in een onderlinge strijd om de subsidiëring van Kunst, en trouwens ook van onderwijs, volledig aan hen over te laten. De staat en de politiek hebben dan ook meer dan ooit een belangrijke, zij het misschien tijdelijke rol te spelen in het begeleiden van deze maatschappelijke verschuivingen. Waar ik bij aanvang stelde dat de oorzaak van de druk op de actuele Kunst niet in de eerste plaats bij de politiek te zoeken is, is het tegelijkertijd ook net daarom dat de politiek(e wil) hier toch het verschil kan maken[5].

En wat is dan de plaats van de scheppende kunstenaar in dit debat? Bij hem/haar rust de zware taak zijn gesubsidieerde professionele vrijheid met verantwoordelijkheid in te vullen. Een verantwoordelijkheid die zich anno 2003 niet alleen mag richten op het uitoefenen van kunst, maar ook op de keuzes ervan: het zinvol aanwenden en ondervragen van materialen en concepten uit/in de veelheid van vandaag, is een problematiek die niet meer uit de weg kan worden gegaan[6] (in dat opzicht schoten heel wat recente zogenaamd ‘postmoderne’ uitingen hopeloos tekort…). Hij/zij is het daarbij aan de samenleving verplicht meer terug te geven dan hem/haar gevraagd werd. Wat de aard van dit ‘meer’ is, en of dit ‘meer’ door diezelfde samenleving aanvaard zal worden, is door het nieuwe van zijn/haar Kunst altijd onvoorspelbaar. En net daar ligt dan toch een mogelijke maatschappelijke ‘functie’ in het subsidiëren van nieuwe Kunst: het kan opgevat worden als een risico-investering in ervaringswerelden, in het ontsluiten van mogelijke, al dan niet bruikbare gezichtspunten op de realiteit. In dat opzicht kan een parallel getrokken worden met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Soms levert dat onderzoek iets maatschappelijk ‘bruikbaars’ op, in het geval van wetenschap in de vorm van een toepassing, in het geval van kunst in de vorm van een ervaring of zienswijze. Maar evengoed lijkt het resultaat soms alleen maar ‘informatie’ op te leveren. Als onze samenleving deze rijkdom, deze investering in voortdurende mogelijkheid niet meer aanvaardt, dan gaan we sombere tijden tegemoet, niet omdat die moeilijke kunst er niet meer zou zijn, maar omdat het iets zou zeggen over wat wij als toekomst voor onszelf aanvaarden.

 

Paul Craenen, Brussel, december 2002

update 2010

 

 

 

 

[1]Ik sluit hier aan bij een opvatting van ongebonden kunst die vanuit de geschiedenis bekeken vrij recent is (de Franse symbolisten stelden het ‘l’art pour l’art’ – principe voor het eerst scherp). Tegenstanders van deze geclaimde ‘autonomie’ van de kunst zullen daarom wellicht stellen dat wat vandaag gebeurt een terugkeer is naar de ‘normaliteit’, waar de kunst weer een begeleidende rol speelt (denk aan alle rituele kunst).Er mag dan al een economisch motief aan de grondslag liggen van elk ‘professioneel’ kunstwerk (de opdracht is een broodwinning voor de kunstenaar), dat wat het werk tot kunstwerk maakt, onttrekt zich aan dit motief. Het niet voorop stellen van een sociaal of economisch doel neemt ook niet weg dat het kunstwerk wel een sociaal-economische functie uitoefent of verkrijgt. Het is zelfs onontkoombaar dat een kunst(werk) dat als dusdanig door de gemeenschap wordt erkend, ook een sociaal-economische relevantie heeft. En zoals lezer Iliya De Lannoy het formuleert: “ De kunstenaar die zich daarvan bewust is kan dit (a-priori) gebruiken om zichzelf een rol toe te kennen in een functionele enmaterialistische maatschappij. Dit vergt een dubbele (contradictorische) rol van de kunstenaar (die hij gelukkig niet tegelijkertijd moet uitoefenen): namelijk het zich ontdoen van het zich voorop stellen van sociale of economische doelstellingen om tot waarachtige kunst te komen, en zich ook bewust zijn van de potentiële sociale en economische impact op zijn omgeving.”

[2] De wortels van deze verstomming kunnen natuurlijk wel in het sociale liggen. In die zin is het kunstwerk geen buitende-wereld-staan. Integendeel, haar oorsprong ligt in de (gemeenschappelijke) wereld, haar bestemming ligt in zichzelf. Enkel wanneer het kunstwerk dit ‘in zichzelf’ heeft gevonden, is het in staat tot een overdracht te komen, of simpeler gezegd: te overtuigen.

 

[3] Wat de hedendaagse tendens tot subsidiëring van amateurkunsten betreft een kanttekening: zie je het al gebeuren dat er geld uit de pot voor wetenschappelijk onderzoek zou vloeien naar amateurwetenschap? Natuurlijk is het goed dat de amateurkunsten ondersteund worden, maar dat kan beter door culturele centra in hun werking te ondersteunen dan door individuele amateurs of amateurgroepen de mogelijkheid te geven een projektsubsidie aan te vragen. Niet omdat hen dat niet gegund zou wezen, wel omdat budgetten beperkt zijn, en omdat professionele kunstenaars een voortrekkersrol moet worden toegewezen in het ontwikkelen van artistieke visies.

 

[4] Ik ben allerminst gekant tegen socioculturele profielen, integendeel, ik draag het hart meer links dan rechts. Maar we moeten bedachtzaam omspringen met goedklinkende woorden: het juiste woord op het juiste ogenblik. Het gevaar bestaat dat het socioculturele profiel de eis wordt voor elke gesubsidieerde cultuuruiting. Ik pleit dan ook voor een (waarschijnlijk utopische) scheiding, of op zijn minst onderscheiding van kunstsubsidies en sociaal-culturele subsidies.

[5] Waarmee ik zeker niet wil beweren dat aan staatssubsidies geen gevaren kleven. De zichzelf genererende steeds groter wordende vraag is al aangehaald, evenals het daardoor groter wordende belang van het maken van inhoudelijke keuzes. echter niet meteen een goed alternatief voor het bestaande systeem. Het enigszins loskoppelen van het cultuurbeleid van tijdelijke politieke conjuncturen (door bv. meer gebruik te maken van autonome fondsen) is misschien een optie.

[6] Net zoals de eis van het sociale, lijkt ook de eis van het vernieuwende soms als een verlamming te werken. Het gevolg is dat vandaag steeds meer verlossende kreten klinken als: “de tijd van het experiment is voorbij, we kunnen (in de zin van ‘mogen’) weer gewoon ‘mooie dingen’ maken.” Dergelijke onzin heb ik nooit goed begrepen. De scheppende kunstenaar die kunst maakt met het hierboven geschetste verantwoordelijkheidsgevoel, hoeft zich immers geen zorgen te maken over het vernieuwende van zijn werk. In zekere zin zal het dat altijd zijn of het zal er niet zijn.

%d bloggers liken dit: